Bewoners van Epemastate

Een boerderij met een stinswier.
De oorsprong van Epemastate ligt in een boerderij van een eigenerfde familie, waarbij een stinswier lag. In deze familie kwam de voornaam Epe of Epa voor. Van zowel boerderij als stinswier is niet precies duidelijk hoe oud ze zijn. De boerderij stond er in ieder geval al in de Middeleeuwen, want hij wordt genoemd in 1449 in een rechtszaak. Van de stinswier is sprake in stukken uit de tweede helft van de 16de eeuw.

State
Wanneer de bouw van de state plaatsvond is evenmin precies duidelijk. Het kan zijn dat Idts van Albada de bouwheer was. Hij erfde Epema na 1605 van zijn kinderloos overleden oom en tante Pieter Pieterz Jongma en Tieth Hoitesdr van Hoytema. Het is echter ook mogelijk dat dr. Martinus Gravius de state liet bouwen. Hij kocht Epema na de dood van Idts van Albada in 1637. Aan het wapen van de familie Gravius zijn delen ontleend voor het dorpswapen van Ysbrechtum.

Na het overlijden van dr. Martinus Gravius werd Epema verkocht door zijn vrouw Geeske Rycksdr van Os. De verkoop vond plaats op 9 december 1651 en in de toen opgemaakte akte wordt Epema voor het eerst in een archiefstuk nadrukkelijk omschreven als een representatieve buitenplaats.

Bewoners
Koper van Epemastate is in 1651 de grietman van Wymbritseradiel, Duco Martena van Burmania (1627-1692), die er 13250 goudguldens voor betaalde. Het slot is sindsdien in bezit gebleven van zijn nazaten.

Na het overlijden van Duco Martena van Burmania wordt zijn zoon Sjuck Gerrolt Juckema van Burmania (1652-1720) de nieuwe bewoner. Deze laat het op zijn beurt na aan zijn zoon Duco Gerrolt Martena van Burmania (1687-1746), heer van Camminghaburg en Oosterbroek.

Het huwelijk van deze Duco met Fedt Sophia van Goslinga († 1766) blijft kinderloos. Het echtpaar nam als zoon het kind aan van de op 27-jarige leeftijd gestorven zuster van Duco, Titia Barbara van Burmania, die gehuwd was met Egbert Rengers, heer van Farmsum en Ten Post.

Deze pleegzoon Sjuck Gerrolt Juckema van Burmania Rengers (1713-1784) werd in 1732 grietman van Wymbritseradiel. Hij huwde met Odilia Amelia, gravin van Welderen en betrok met haar in 1747 Epemastate. Sjuck Gerrolt van Burmania Rengers bleef tot zijn dood op het slot wonen en na hem woonde zijn weduwe er nog tot haar dood in 1788.

Hun zoon Egbert Sjuck Gerrolt van Burmania Rengers (1745-1806) was zijn vader in 1773 opgevolgd als grietman van Wymbritseradiel en werd na het overlijden van zijn ouders de volgende bewoner van Epemastate. Hij was gehuwd met Wilhelmina de Beyer (1744-1811). Bij de komst der Fransen in 1795 werd hij als grietman afgezet en in de winter van 1796 uit zijn bed gelicht en naar Leeuwarden gevoerd om in het blokhuis te worden opgesloten. De overlevering wil dat zijn vrouw hem volgde en de hele tocht van Ysbrechtum naar Leeuwarden te voet aflegde.

Hun zoon Bernard Walraad van Welderen baron Rengers (1777-1823) verhuisde in 1811 met zijn vrouw Louise Christina Alberda van Bloemersma (1778-1855) naar het slot. Het was toen voor oranjegezinden weer mogelijk ambten te bekleden en hij werd sous-prefect van Friesland in het arrondissement van Sneek. Na de verdrijving der Fransen, toen het grietmanschap in ere werd hersteld, kreeg hij – als zijn voorzaten – dat van Wymbritseradiel weer toebedeeld. In die functie ontving hij op 29 juli 1820 de Prins van Oranje, de latere koning Willem II.

Mr. Sjuck van Welderen baron Rengers volgde zijn vader op als grietman van Wymbritseradiel en – samen met zijn vrouw Wilhelmina Maria van Beeck Calkoen – als bewoner van Epemastate. In 1852 ontving hij op Epemastate koning Willem III. De koning nóch de baron waren liefhebbers van minister Jan Rudolf Thorbecke die de basis legde voor de grondwetswijziging van 1848. Uit die nieuwe grondwet vloeide de nieuwe Gemeentewet van 1851 voort, waarin het grietmanschap werd afgeschaft. Uit ongenoegen hierover trad Sjuck van Welderen Rengers in 1853 af als grietman van Wymbritseradiel. Baron Rengers overleed in 1870, zijn vrouw in 1877.

Het buiten viel toen toe aan zoon Jan Frederik van Welderen Rengers, die door de bevolking ‘Gekke Jonker Jan’ werd genoemd. Over zijn merkwaardige gedragingen zijn allerlei verhalen in omloop. Bij tijd en wijle was hij met zijn huishoudster aan het spelevaren in de slotgracht, soms liet hij haar gehuld in witte lakens op het Ysbrechtumer kerkhof voor spook spelen.

Jonker Jan Frederik verkocht het slot in 1893 aan zijn neef mr. Wilco Julius van Welderen baron Rengers, zoon van de broer van Sjuck, Willem Carel Gerard van Welderen baron Rengers en van Quirina van Andringa de Kempenaer. Wilco Julius huwde in 1864 te Oenkerk met de vermogende koopmansdochter Catharina Theresia Looxma van Staniastate. Hij was een eminent bestuurder en kenner van het Nederlands staatsrecht en vestigde zich te Leeuwarden als advocaat. Daar werd hij achtereenvolgens lid van de gemeenteraad, wethouder en burgemeester. Hij zette zijn loopbaan voort als lid van de Provinciale Staten, de Tweede en de Eerste Kamer.

In 1901 werd Epemastate betrokken door zijn zoon dr Johan Edzard van Welderen baron Rengers en jonkvrouw Aletta Catharina van Andringa de Kempenaer. De jonge baron erfde het slot in 1911 uit de boedel van zijn vader. Het echtpaar Rengers woonde bijna 62 jaar op Epema, tot 1963, toen beide echtelieden overleden.

Na het versterven van het echtpaar Rengers kwam het slot na enige jaren aan de oudste dochter Elisabeth Marie van Welderen Rengers douarière mr. Johan Sippo baron van Harinxma thoe Slooten.

Sinds haar dood in 1974 is het slot in eigendom van haar dochter Maria Clara Electa Walburga barones van Harinxma thoe Slooten en haar echtgenoot jonkheer Cornelis van Eysinga, die het sinds 1983 ter bezichtiging openstellen.

Bron: S. ten Hoeve, Epemastate en de kerk te Ysbrechtum (Leeuwarden, 1989)